Modelleren van gedrag

Bij de sociale leertheorie uit Bandura in 1969 hoort het modelleren van gedrag. Volgens deze theorie
dienen mediakarakters als modellen voor gedrag van de mensen die het bekijken. Als deze modellen
zich agressief gedragen en dat gedrag wordt beloond, dan wordt het gedrag van deze modellen
nagedaan. (Heuvelman et al, 2011, p. 142) Dit verklaart waarom jonge kinderen die veel geweld op tv zien dit na gaan doen. Zeker in situaties waarin het geweld beloond wordt, wordt het gedrag nagedaan. Dit ook zo bij schietspellen en oorlogsspellen. Daarnaast is het een belangrijke factor ook hoe belangrijk het rolmodel is. Hoe meer status het rolmodel heeft, hoe groter de kans is dat het gedrag nagedaan wordt.
 
Heuvelman A., Fennis B., Peters O. (2011)
Mediapsychologie.
Den Haag: Boom lemma uitgevers 
 
Psychologie (mens en samenleving) (2009) Observerend/sociaal leren: observatie - imitatie - rolmodel.  Geraadpleegd op 1 november 2013, http://mens-en-samenleving.infonu.nl/psychologie/35051-observerendsociaal-leren-observatie-imitatie-rolmodel.html

De cultivatietheorie

De cultivatietheorie is het langdurige effect van priming. Priming is als iemand wordt blootgesteld aan
een bepaalde stimilus. In de media kunnen dit dingen zijn zoals een beeld, een foto, een filmpje of
advertentie. Dit gecommuniceerde beeld of tekst kan dan invloed hebben op het denken en gedrag
van de persoon die er net aan bloot is gesteld. Hier is de persoon zich lang niet altijd bewust van. De
cultivatietheorie geeft dus het langdurige effect van priming weer.
De cultivatietheorie stelt dat kijkers
informatie van televisie als een referentiekader hanteren bij het kijken naar de alledaagse
werkelijkheid(Heuvelman & Fennis & Peters, 2011 geciteerd van Gerbner et al. 1994). Dus mensen
die erg veel tv kijken zullen een andere kijk op de realiteit ontwikkelen dan mensen die niet zo veel tv
kijken. Televisie geef natuurlijk een vertekend beeld van de werkelijkheid. Er is bijvoorbeeld meer
geweld en misdaad op tv te zien dan er in werkelijkheid is. Hierdoor gaan mensen die erg vaak
geconfronteerd worden met het vertekende beeld, dus ook steeds meer de realiteit interpreteren aan
de hand van de tv- werkelijkheid. (Heuvelman et al, 2011, p. 116)
2008
 
Bron:
Heuvelman A., Fennis B., Peters O. (2011) Mediapsychologie. Den Haag: Boom lemma uitgevers.
 
 

Fasering van een issue

 Een issue is een betwistbaar punt waarbij er verschillende voor-en tegenstanders zijn. Een issue in de media zal zorgen voor bewegende publieke opinies. Als er zo’n issue in de media komt, kun je er een fasering van maken. Deze laat alle fasen waar het issue door gaat zien.

Er zijn de laatste jaren wel wat issues geweest waarbij je deze fasen duidelijk kunt zien. Zo kent iedereen het Project X Haren issue wel. Ook in Eindhoven, waar een jongen midden in de nacht zonder reden in elkaar werd geslagen en werd achtergelaten, is zo’n issue waarbij de fasen duidelijk te onderscheiden zijn.

1.       De voorfase

In deze fasen zie je de eerste signalen. Bij het issue van de mishandeling in Eindhoven, ging er een filmpje rond op social media, waar te zien was hoe de mishandelaars de jongen in elkaar schopten.

2.       Geboorte van een issue

Nadat het filmpje te zien was op social media, kwam het natuurlijk in de media. Op het nieuws, praatprogramma’s, kranten, overal werd het issue besproken.

3.       Uitbreiding/verscherping

Nadat het issue de volle media-aandacht heeft gekregen, is er wat ruimte voor uitbreiding en verscherping. Mensen zullen voor en tegen gaan zijn. Bij het issue van de mishandeling in Eindhoven zullen er weinig tot geen voorstanders zijn die zeggen dat de mishandelaars goed bezig geweest zijn. Wel waren er mensen die vonden dat de mishandelaars het niet verdienden dat het filmpje zoveel media-aandacht kreeg.

4.       Consolidatie

Nadat er zoveel media-aandacht geweest is, is er een kans dat het issue de huidige afspraken en/of wetgeving zal veranderen. Bij het issue van de mishandeling in Eindhoven is er bij het berechten van de mishandelaars ook rekening mee gehouden dat het filmpje op internet te zien was. Zo hebben de 3 jongens 2 maanden minder celstraf gekregen. Wat een issue allemaal kan doen.

 

 

Eigenraam A. (2013) Celstraf en vrijspraak voor mishandeling Eindhoven.  Geraadpleegd op 6 oktober 2013, http://www.nrc.nl/nieuws/2013/08/28/celstraf-en-vrijspraak-voor-mishandeling-eindhoven/

 

M. Hemminga(2003) Issuemanagement. Geraadpleegd op 6 oktober 2013, (http://www.communicatiecoach.com/public-relations/issuemanagement/

De sociale vergelijkingstheorie

Sociale vergelijkingstheorie

 

De sociale vergelijkingstheorie is ooit ontwikkelt door Festinger in 1954. Bij deze theorie wordt er vanuit gegaan dat mensen zich vergelijken met andere mensen. Als je informatie over jezelf verzamelt, zoals ideeën en meningen, kijk je ook naar anderen. Dit doe je door naar de mening van anderen te luisteren, maar ook door gedrag van anderen over te nemen.

 

Je kunt daarbij twee verschillende soorten manieren van  vergelijken onderscheiden. Neerwaarts vergelijken betekent dat je jezelf vergelijkt met personen die in jouw perceptie slechter of minder zijn als jou. Dit zal zorgen voor een positiever zelfbeeld.

 

Opwaarts vergelijken betekent dat je jezelf vergelijkt met mensen die in jouw perceptie juist beter, mooier of leuker zijn als jou. Dit kan ook een positief effect geven, doordat je tegen iemand op kijkt die het beter doet als jou en jij datzelfde ook zou willen bereiken. Maar dit kan ook voor een negatiever zelfbeeld zorgen, omdat jij je ‘minder’ voelt als degene waar je je mee vergelijkt.

 

Maar daarbuiten zijn mensen ook nog op zoek naar bevestiging. Ze willen er achter komen of wat zij denken, eigenlijk wel klopt. Dat wordt dan weer het consistentiemodel genoemd.

 

In de media is er wat helaas wat anders gaande. Door de sociale vergelijkingstheorie wordt er een ideaalbeeld gecreëerd wat steeds meer versterkt wordt.  Dit wordt het cultivatie-effect genoemd. Hierdoor komt het dat mensen op tv steeds mooier en perfecter worden. En mensen zullen aan dit ideaalbeeld willen voldoen, omdat ze zich opwaarts zullen vergelijken.

 

 

Marilyn(2013)  Sociale vergelijkingstheorie van Festinger. Geraadpleegd op 1 oktober 2013, http://mens-en-samenleving.infonu.nl/psychologie/116474-sociale-vergelijkingstheorie-van-festinger.html

 

Traffic Test(1997) Sociaal-psychologische theorieën. Geraadpleegd op 1 oktober 2013, http://www.scribd.com/doc/62673826/29/Sociale-vergelijkingstheorie

Uses and Gratification theorie

Uses and Gratification theorie

 

Wat doen mensen met de media?

 

De Uses en Gratification theorie is een functionele theorie die op het individu gericht is en is afkomstig uit de communicatiewetenschappen. Deze theorie gaat niet om de mediaboodschap, maar om de mediaconsument en het publiek. Hierbij worden de ontvangers als actieve gebruikers gezien. Actieve gebruikers wil zeggen dat ze: 1. Drang hebben naar communicatie. 2. De intentie of motivatie hebben om te communiceren. 3. Selectief zijn en er bepaalde interesses en wensen hebben die leiden tot communicatie keuze en inhoud(Leung, Wei, 1998). Ze maken dus zelf keuzes om bepaalde media te gebruiken, om hun eigen behoeften te vervullen. Het gaat er dus niet om wat media doet met mensen, maar wat mensen doen met de media(Boelen, 2010-2011).

 

Bij de Uses and Gratifications-theorie wordt er op zoek gegaan naar de sociale en psychologische aspecten van de mediaconsument, wat leidt tot het gebruik van bepaalde media en verschillende soorten blootstelling aan media(Boelen, 2010-2011).

 

Deze theorie is tot stand gekomen in de jaren ’40. Onderzoekers probeerden een andere onderzoek benadering om media-effecten te bestuderen bij een groot publiek. Er zijn veel meerdere onderzoeken geweest door verschillende onderzoekers. In het begin van de massacommunicatie was de uses and gratification theorie nog niet echt van toepassing. Met de komst van de boekdrukkunst was er nog weinig keuze over hoe je jouw behoeften kon vervullen met media(Boelen, 2010-2011). Nu is dat wel anders.

 

In het huidige medialandschap lijkt mij het dat de uses and gratification theorie steeds meer van toepassing is. Er komen steeds meer mediakanalen bij. Er komen steeds meer radiostations, tv-zenders, tijdschriften en allerlei andere mediums bij. Mensen hebben enorm veel keuzevrijheid en zullen daarom keuzes moeten maken om te verkrijgen waar zij op dat moment behoefte aan hebben. Het leven bestaat uit keuzes maken. En wat jouw mediagebruik betreft, zul je steeds meer keuzes moeten maken over wat jij nou écht wilt weten, zien of horen.

Boelen, A. (2010-2011) Hoe wordt u een sterk merk? Personal branding. Online personal branding bij freelance journalisten: Diepte-interviews over gebruik en motivatie. Geraadpleegd op 12 september 2013,  http://www.scriptiebank.be/sites/default/files/9e5b4358505e54133d3707e527d5c52e.pdf

 

Leung, L, Wei. R (1998) The gratifications of pager use: sociability, information-seeking, entertainment, utility, and fashion and status. Geraadpleegd op 12 september 2013, http://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0736585398000161

 

 

De Zwijgspiraaltheorie

De grondlegger van de zwijgspiraaltheorie heet Elisabeth Noelle-Neumann. Zij zette zich af tegen eerdere ondervindingen over juist beperkte effecten van de media. Zij dacht dat door trapsgewijze communicatieprocessen informatie uit de media iedereen kan bereiken, waardoor de invloed van de media groot zal zijn.

Volgens mevrouw Noelle – Neumann zijn mensen irrationele wezens, die op hun gevoel afgaan. De macht van de media is vooral groot als het mediatype selectief gebruikt wordt, dit geldt met name voor televisie. Ook is de invloed van media daarnaast verwerpelijk. Een ander uitgangspunt is dat mensen bang zijn voor sociale isolatie. Daarom hebben mensen de neiging om zich te conformeren aan “heersende” opvattingen.

Er zijn 3 factoren die de invloed van media bepalen:

  1. Cumulatie. Mediaboodschappen worden steeds herhaalt. De indrukken die ze achterlaten, stapelen zich op. Selectieve waarneming wordt steeds moeilijker door de herhalingen die telkens terugkomen.
  2. Consonantie (samenklinkend). De enorme mate van consonantie in de media maakt het selectieve gebruikt moeilijker en versterkt de macht van de media. Dat geldt zowel voor de ontvangers (angst voor sociale isolatie) als voor de zenders. Ook zenders houden rekening met de publieke opinie. Dit wordt “pack journalism” genoemd; ookwel overeenstemming in journalistieke berichtgeving.
  3. Openbaarheid. Doordat de media in openbaarheid opereren en steeds meer mensen bereiken, kunnen zij een zwijgspiraal in gang zetten en blijven voeden. (Hoogers, 2011).

Maar klopt dit wel? Er zijn namelijk ook mensen die geen angst hebben om sociaal geïsoleerd te raken. Mensen die hier niet bang voor zijn kunnen de maatschappij dus veranderen. Om de orde te verstoren is het nodig om niet bang te zijn voor sociale isolatie en dus niet mee te gaan met de algemene mening van de maatschappij. (Van Wonderen, 2003)

De zwijgspiraaltheorie is een theorie die in mijn ogen zeker klopt. Wel is het eigenlijk heel jammer dat deze theorie klopt. Door de consonantie, cumulatie en de openbaarheid in de media worden mensen bijna gedwongen mee te gaan in een bepaalde algemeen heersende opinie. Gelukkig zijn er wel mensen die hier tegenin gaan. Deze mensen zullen dus vernieuwing en verfrissing moeten brengen.

 

Hoogers, R. (2011) De zwijgspiraaltheorie | Mens en Samenleving: Sociaal cultureel. Geraadpleegd op 8 September 2013, http://mens-en-samenleving.infonu.nl/sociaal-cultureel/83240-de-zwijgspiraaltheorie.html

Van Wonderen, M. (2003). Van 'Troetelturk' tot 'Kut-Marokkaan'.  Een studie naar het politiek correcte gehalte van Nederlandse dagbladen van 1990 tot 2002. Geraadpleegd op 8 September 2013,  http://www.miramedia.nl/media/files/van%20troetelturk%20tot%20kutmarokkaan.pdf